
Historie: Zorg voor blinde Gerrit
9 januari 2026 om 06:00 HistorieMariëlle Bos van het Noord-Veluws Archief (NoVA) bespreekt in deze rubriek maandelijks een wisselend onderwerp uit de gemeenten Nunspeet, Elburg of Oldebroek.
Het was de derde decemberdag van 1610 toen Lijsken Jacobs, haar man Peter Goertszoon en haar halfbroer Gerrit Alberts bij de Oldebroeker richter Daem ten Herenhaeff aanschoven om een akte te laten opmaken.
Lijsken had een halfbroer, Gerrit, die blind was. Zij en Peter waren vandaag bij Daem ten Herenhaeff om de zorg voor Gerrit veilig te stellen, zolang hij leefde.
Het Onze Lieve Vrouwegilde
Gerrit werd omstreeks 1610 al enige jaren verzorgd door het Onze Lieve Vrouwegilde in Oldebroek. Dit gilde was geen beroepsgilde, zoals we dat begrip meestal kennen. Het was een kerkelijke instelling die al voor de Reformatie in gebruik was. Die ontstond doordat mensen geld of goederen nalieten aan de kerk. In ruil voor deze schenkingen moesten dan missen worden gelezen voor het zielenheil van de schenker. In Oldebroek bevonden zich drie van deze instellingen: Het Onze Lieve Vrouwegilde, het Sint Annagilde en het Sint Anthoniegilde. Het eerste was de grootste van deze drie en kon een eigen altaar onderhouden in de Lambertuskerk. Na de reformatie verdwenen deze instellingen en werden ze in de regel overgenomen door de kerk. De opbrengsten kwamen dan ten goede aan armenzorg, predikant, koster en bijvoorbeeld onderhoud aan de kerk en pastorie. Twee gildemeesters werden onbezoldigd aangesteld om alle zaken rondom het gilde in goede banen te leiden.
Zorg voor Gerrit
In ruil voor zes daalders per jaar verzorgde het OLV-gilde Gerrit al enige jaren. Gerrit was blind en had daarom verzorging nodig. Veel blinden waren rond die tijd en daarvoor bedelaar. Mogelijk kon Gerrit zich toch verdienstelijk maken voor de maatschappij door bijvoorbeeld manden te vlechten. Wat de precieze voorwaarden voor zijn zorg waren is niet bekend. In het document wordt vastgelegd dat Gerrit zijn leven lang zorg van het gilde zou krijgen in ruil voor de eerdergenoemde zes daalders. Hij stemde daar ook zelf mee in. Die zes daalders waren renten die werden verkregen uit het bezit van Lijsken en Peter. Zij hadden een ‘hofstede’ waar ze ook woonden, met vijf morgen haverland.
Volgens J.M. Verhoef, die het boekje ‘De oude Nederlandse maten en gewichten’ schreef, is een morgen in Oldebroek circa 0.94 hectare, kortom; vijf morgen was een kleine vijf hectare.1 De daalders waren opbrengsten uit het haverland. In de akte werd ook vastgelegd dat de daalders elk jaar op Sint Maarten betaald moesten worden, met ingang van 1611. De jaarlijkse bijdrage kon worden afgekocht voor honderd daalders, maar enkel bij de gildemeesters en dus niet de richters van het richterambt.
Waar Gerrit woonde is niet bekend. Omdat Lijsken en Peter de zorg officieel aan het gilde overdroegen, is het niet waarschijnlijk dat hij bij hen inwoonde. Het gilde had ook bezittingen, waaronder woningen. Mogelijk woonde Gerrit daar. Helaas zijn er verder geen gegevens terug te vinden van Peter, Lijsken en Gerrit. Het verhaal zal daarom altijd enkele vragen behouden.
1 J.M. Verhoeff, De oude Nederlandse maten en gewichten, (Amsterdam 1983). P. 60.

