Henk en de andere onderduiker van zijn ouders voor de gereedschapsschuur waar ze in sliepen.
Henk en de andere onderduiker van zijn ouders voor de gereedschapsschuur waar ze in sliepen. Archief Henk Prins

Rubriek 80 jaar vrijheid: Onderduiken, overleven en verder leven

2 juli 2024 om 14:25 80jaarvrijheid

Ik ben geen grote jongen”, benadrukt Henk Prins, die sinds 1953 in Nunspeet woont wanneer we het gesprek starten. “Er zijn boeiendere verhalen te vertellen dan dat van een man die twee jaar ondergedoken heeft gezeten. Denk aan de Joden, mensen uit het verzet of mensen die moesten bedelen om voedsel.” Henk kwam wat dat betreft de oorlog goed door. Toch vertellen we zijn verhaal. Het verhaal van een 17-jarige jongen die zijn diploma van de landbouwschool ophaalde en op de weg naar huis tussen de Duitsers fietste. Het was 16 mei 1940 en Henk weet het nog goed.

Johanna Sijbel

Henk groeide op in een dorpje dichtbij Hasselt bij de Kop van Overijssel. “Laten we beginnen bij het begin”, zegt hij. “Op 10 mei 1940 kwamen de Duitsers Nederland binnen. Ze kwamen bij Hasselt aan zonder ook maar één schot gelost te hebben. Er waren een aantal plekken waar wel werd gevochten en Noord-Holland bezetten lukte niet goed. Toen het de Duitsers te lang duurde, bombardeerden ze Rotterdam. Dat was op 14 mei. En op 16 mei fietsten ze naar het zuiden. België en Frankrijk moesten ook bezet worden. Ik fietste zo tussen ze in.

Die eerste oorlogsjaren leefden de Duitsers hier als koningen. En zolang wij niks opvallends deden, hoefden we ons geen zorgen te maken. Tot 1942. Duitsland viel Rusland binnen en won niet. De Duitsers hadden hulp nodig, dus de eerste Nederlandse mannen werden opgeroepen om voor ze te werken. Ook mijn broer Jan. Jan wist een vrijstelling te bemachtigen, omdat hij als boer belangrijk was voor voedselvoorziening. In juni 1943 kwam voor mij de brief. Ik moest me melden op het station van Meppel en in een fabriek in Hamburg werken. Van vrijstelling was voor bijna niemand meer sprake. Ik stapte op de fiets. Niet naar Meppel, maar naar Jan Petter.” Volgens Henk was het in het eerste jaar van de oorlog al gauw duidelijk hoe de verhoudingen lagen. “We wisten het gewoon: die boer deugde niet, die buurman heulde met de Duitsers en Jan Petter zat bij de ondergrondse. Ik vertelde Petter dat ik onderdak moest hebben en hij verwees me naar een boer in Kuinre, in Friesland. De knecht van de boer was naar Duitsland gegaan en ik nam zijn werk over. Elke ochtend en avond moest ik anderhalf uur lang de koeien melken en ik sliep in een bedstee in de woonkamer. Op een nacht in oktober 1943 maakte de boer me wakker: “De Duitsers komen!” Ik haalde mijn bed af, stopte alles onderin de bedstee en kroop er zelf bij. De boer deed de deurtjes dicht. Precies zoals we hadden afgesproken. Ik hoorde de Duitsers schreeuwen, zag hun lichten schijnen en was doodsbang. Toen ze weg waren, vertelde de boer wat er aan de hand was: er was een Engels vliegtuig neergestort achter de boerderij. Ze zochten de piloot die ontsnapt was. De volgende dag vond ik een parachute, verstopt achter een schot. Hoe het met de piloot is afgelopen weet ik niet. Misschien is hij ontsnapt, misschien liep hij de verkeerde mensen tegen het lijf. Dat is oorlog... 

Oostenrijkers -die waren Duitsgezind- bleven vijf nachten in het voorhuis slapen om het vliegtuig in de gaten te houden en op te ruimen en de lichamen van de inzittenden te ontruimen. Ze sloegen geen acht op mij. 

Na een half jaar bij de boer in Kuinre vond ik het genoeg geweest. Ik ging naar huis en heb hem nooit meer opgezocht. Mijn ouders hadden al een onderduiker in huis -dat was toen zo’n beetje je plicht-, dus een onderduiker meer kon geen kwaad, besloot ik. Overdag werkten we gewoon op de boerderij. Als het pikkedonker was, slopen we naar de gereedschapsschuur op het land. Daar sliepen we met zijn drieën: de onderduiker van de buren, de onderduiker van mijn ouders en ik. 

De onderduiker van andere buren was een zware jongen in het verzet. De Duitsers wisten dat hij daar ondergedoken zat, dus kwamen hem zoeken, maar vonden hem niet. Toen hebben ze de boer meegenomen, zijn vrouw en kinderen bleven achter. De boer is nooit meer teruggekomen.

Als er onraad was, mochten we bij Jan Petter verstoppen, maar dat vond ik niet prettig. Mensen die in het verzet zaten, schoten gerust Duitsers dood. Petter zou niet ten onder gaan zonder vuurgevecht. Ik besloot dat ik me op momenten van onraad liever in mijn eentje verstopte.

In 1944 begonnen we ons steeds vrijer te voelen, we hoorden op onze illegale radio dat de geallieerden terrein wonnen en de oorlog bijna voorbij was. We speelden ‘s avonds soms klaverjas bij de buren en aan het eind van 1944 durfde ik zelfs op de fiets naar mijn zus in Hasselt. Daar stonden mijn zus en ik buiten toen een groep Duitsers zingend langs kwam marcheren. Ik schrok. Misschien dat ik daardoor een andere houding aannam, ik weet het niet. Een Duitser stapte uit de formatie, liep recht op me af en gaf me een harde klap in mijn gezicht. Mijn muts viel op de grond. Ik was ontzettend opgelucht dat het daarbij bleef. 

En toen kwam de bevrijding. Ik weet niet eens meer hoe we wisten dat we bevrijd waren, maar we wisten het. En we gingen uit ons dak. De hele maand mei was het feest. We vierden ook feest in de woonplaatsen van de onderduikers en dat was het afscheid. Na de oorlog hebben we elkaar nog weinig gesproken. We wilden verder. De oorlog achter ons laten. Ik had het idee dat ik vijf jaar achterliep. Ik had nog steeds slechts mijn diploma van de landbouwschool, maar wilde geen boer worden. Uiteindelijk heb ik mijn vrouw ontmoet en ondertussen bleef ik leren. Zo ben ik voor de landbouwcoöperatie gaan werken en met mijn gezin in Nunspeet terecht gekomen.”

Henk melkte de koeien met de hand.
Een volksgericht op 14 april 1945.
Mail de redactie
Meld een correctie

Uit de krant

advertentie
advertentie