
Het leven van de eekschillers
7 juli 2025 om 06:00 MaatschappelijkMariëlle Bos van het Noord-Veluws Archief (NoVA) bespreekt in deze rubriek maandelijks een wisselend onderwerp uit de gemeenten Nunspeet, Elburg of Oldebroek.
“Zoals ieder jaar zijn de eekschillers weer vertrokken, dit keer zo’n 80 gezinnen. Binnenkort klinkt in Drenthe en Friesland weer het ritmisch geklop.” Zo stond het op 14 mei 1924 in het Overveluwsch Dagblad. Een kort bericht, maar achter die regels schuilt een indrukwekkend verhaal over zwaar werk, armoede en een verdwenen ambacht: het eekschillen. Eekschillen was werk voor de leerindustrie. De schors van eiken bevat stoffen die gebruikt werden om leer te looien, zodat het niet ging rotten en soepel bleef. Gezinnen namen hun hele hebben en houwen mee en vertrokken via Elburg met de boot naar Lemmer om in Friesland en Drenthe te gaan ‘houten’, zoals eekschillen werd genoemd. Het was zwaar werk. Mannen stonden al om vier uur ‘s ochtends in het bos. Vrouwen en kinderen volgden niet veel later. Er werd gewerkt tot negen uur ‘s avonds, zes dagen per week. Alleen op zondag werd gerust. De mannen kapten de jonge eiken. Zodra een stukje bos was gekapt werd een eekveldje aangelegd. Daar klopten de vrouwen en kinderen voorzichtig de schors los. Die moest zoveel mogelijk heel blijven, want beschadigde schors leverde minder op. Ze deden dit in een kuil, zodat ze niet de hele dag gebukt hoefden te staan. De opbrengst werd verkocht aan leerlooierijen. De overgebleven stammetjes dienden als brandhout, voor het roken van vis of als steunhout in Limburgse mijnen. De leefomstandigheden waren eenvoudig. In Nunspeet woonden de eekschillers vooral op De Zoom. Eind mei werden de huisjes afgesloten en trok het hele gezin, vaak met geit, naar het noorden. In het bos groeven ze een kuil en maakten met zeil, plaggen en hout een hut. Daar leefden ze tot Sint Jan (24 juni). Een gezin van vijf kon in een week zo’n 35 gulden verdienen, destijds een behoorlijk bedrag.
Na de Tweede Wereldoorlog verdween het beroep langzaam. Door de opkomst van industrie en landbouw was verhuizen niet meer nodig. Ook werden snelgroeiende naaldbomen populairder dan eiken, en synthetische looistoffen maakten de eikenschors overbodig.Toch leeft het eekschillen nog voort. In Nunspeet herinnert de Eekschillersweg eraan, en in het Openluchtmuseum in Arnhem wordt het ambacht nog weleens gedemonstreerd. Natuurkenners kunnen zelfs vandaag de dag in het bos zien waar ooit werd gewerkt: namelijk aan de groei van de bomen. Zo blijft dit bijzondere stukje Veluwse geschiedenis zichtbaar voor wie goed kijkt.














